Goedemiddag meneer Boon,
Ik weet niet of u bij leven en welzijn veel correspondeerde. Ik weet wel dat u regelmatig postume brieven krijgt. Op de een of andere manier belanden die dan in de kranten en tijdschriften die ik lees. De honderdste verjaardag van uw geboortedag was daar een krachtige dynamo voor. Uit het blote hoofd herinner ik me Tom Lanoye en Saskia De Coster. Het kan ook Annelies Verbeke geweest zijn.
Ik verwar alle schrijfsters die niet Kristien Hemmerechts zijn met elkaar. Zoals buiten Yoko Ono ook de eega’s van the Beatles mij één pot nat zijn. Dat ligt aan mij, niet aan de dames. Mozes was rechtdoorzee maar ik draai op een grillige geheugenkaart. Alles wat ik ooit gedaan heb, davert op zijn fundamenten als het naast de meetlat van de consequentie gelegd wordt. Mijn interne logica is niet consistent. Maar als het niet consistent is, is het geen logica. En als het geen logica is, moet het niet consistent zijn. Eigenlijk is er geen enkel probleem.
In die postume brieven vallen mij twee dingen steevast op. De afzenders spreken u familiair aan met Louis, Lowie of Lewie en ze drukken zich uit in een taaltje dat meerdere nachten heeft gedroomd tussen lakens van dialect. Ik ga mij van beide onthouden. Het eerste botst met mijn verknochtheid aan beleefdheid, voor het tweede beheers ik te weinig dialect. Als ik plat probeer te spreken, val ik onmiddellijk door de mand. Daar zijn de mand, mijn zitvlak noch het aardoppervlak van gediend.
Bovendien merk ik dat ik elke dag een beetje meer taalpurist ben. Telkens iemand een zin opent met “moest ik”, smeken mijn vuisten om een ontmoeting met ’s mans smoelwerk. Niet dat vrouwen zich nooit schuldig maken aan deze verkrachting van de moedertaal maar zelfs een taalpurist mag geen vrouwen slaan. Mijn gewelddadige drang is een soort bluf. Ik ben sterk maar ik ben geen vechtersbaas. Ik houd van correct taalgebruik maar mijn eigen discours draagt meer dan genoeg roestplekken.
Afgelopen zondag heb ik in Antwerpen de tentoonstelling Villa Issengrimus over uw leven, uw werk en uw wonen bezocht. Een archief annex museum in het blikveld van het beeld van Paul Van Ostaijen. Ooit heb ik er vier dagen gekampeerd voor een thesis die ik nooit heb afgemaakt, die ik nooit zal afmaken. Het zondagsbezoek begon met koffie, muffins en praatjes. Een man met een vagijn onder zijn neus geplakt, gebruikte het woord luciditeit. Ik heb de betekenis ervan opgezocht en nu kan ik het ook gebruiken. Het was een aangename dag ook al bestond het gezelschap uit sokken in sandalen, neuspeuteraars, terugwijkende haarlijnen en baardapen.
De tentoonstelling heeft veel indruk op mij gemaakt. Ik blijf er maar over praten tegen mezelf en tegen anderen. De centrale vraag van de tentoonstelling was of u gekarakteriseerd moest worden als Reynaert de Vos of als Isengrijn de Wolf. Ik vond u een Reynaert, een lachspiegel die voor elk individu, voor elk tijdvak, voor elk paradigma een andere karikatuur terugstuurt en zo tot de verbeelding blijft spreken. Ik weet bovendien geen u Koning Nobel was. Daar had uw voortijdige dood een definitief stokje voor gestoken met drie decennia speculatie als gevolg.
Ik vraag me vooral af hoe vroegtijdig 67 is voor een man die drinkt, schrijft, rookt en andere ongezonde dingen doet. Hoe kort waren uw beentjes net? Hoe massief uw speklaag? Hoe fragiel uw hart? De tentoonstelling toonde de rimpels in uw schrijftafel maar gaf geen antwoord. Ik heb onlangs uw Mijn kleine oorlog gekocht en zal het binnenkort lezen. Gaat het mij aan antwoorden helpen? Ik overwoog onlangs voor het eerst in mijn leven naar Aalst af te zakken. De goesting is ondertussen over. Zou het mij aan antwoorden hebben kunnen helpen?
En belangrijker: zou ik iets opschieten met die antwoorden? In mijn leven, mijn werk en mijn wonen? Ik heb uit Curb Your Enthusiasm geleerd dat je iets dat je goed kan nooit gratis mag doen. Enige weken geleden werd mij die wijsheid herhaald door een man die geen vetkuif meer torste. Chance dat er niets is dat ik goed kan. Ergens las ik de vergelijking met een pinguïn. Het beestje kan een beetje zwemmen, het beestje kan een beetje vliegen, het beestje kan een beetje overleven.
Ik kan mijn plan trekken in de journalistiek maar ik ben geen hoogvliegende interviewer. Ik pen af en toe een aardig gedichtje maar Hugo Bousset ligt er niet van wakker. Ik kan met u de kroeg induiken maar ik ben te snel moe om uw maatje van het sluitingsuur te wezen. Ik kan met u gaan lopen maar u zal me snel voorbij steken en ik zal uw billen vergelijken met een lavalamp. Ik bef gelijk een herdershond maar ik ben niet de minnaar van uw dromen.
Vorige week zag ik een man een boek lezen. Hij zat voor zijn winkel op een rode stoel. Hij bladerde door een pocket van The Fifth Witness van Michael Connelly. Om enigszins comfortabel te zitten, had hij de stoel laten hellen door twee latjes onder elke voorpoot te knallen. Wiebelen lijkt mij een aangename houding, kant noch wal raken, volharden in zachtheid. Ik zal er werk van maken.
U heeft ondertussen gemerkt dat ik ook als briefschrijver een prutser ben. Villa Issengrimus heeft een zustertentoonstelling in Aalst: Rebellen in ’t Gasthuys. Als ik daar passeer, geef ik u een seintje per kerende post.
Prettige dag verder,
Geert Simonis